| Pieter Jan Leusink getrouwd, zes kinderen, is een echte Elburger. De plaats aan het Veluwemeer speelt een belangrijke rol in zijn leven. Hij leerde er orgel spelen, richtte er het Stadsknapenkoor Elburg op in 1984 (sinds 1995 Holland Boys Choir) en woont ook in het vissersdorp. ‘Ik ben gehecht aan mijn gezin', zegt Leusink. ‘Het is mijn thuis.' Leusink deed eerst middelbare school voordat hij op het conservatorium van Zwolle belandde. Hij studeerde daar orgel tot 1983, waarna hij ook de opleiding koordirectie afrondde. Naast het Holland Boys Choir staat Leusink ook voor het Urker Mannen Ensemble en sinds 1989 voor het Rijssens Mannenkoor. Ook richtte hij het The Bach Choir & Orchestra of the Netherlands op. Leusink sinds vorig jaar Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (een hoge onderscheiding die slechts enkele keren per jaar wordt uitgereikt) maakte vele cd's, onder meer van zijn favoriete componist Johann Sebastian Bach: de Matthäus Passion en tweehonderd geestelijke cantates. Ook voerde hij de Messiah uit van Georg Friedrich Händel en het Stabat Mater van Giovanni Battista Pergolesi. Met zijn koren trad hij op in alle grote plaatsen van Nederland en in diverse Europese landen, zoals Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië. Inmiddels zijn zo'n 160 opnamen verschenen. Van hem werden wereldwijd circa zes miljoen cd's verkocht. Muzikant, geen musicus! Tijd om muziek te luisteren heeft dirigent Pieter Jan Leusink nauwelijks. Hij is immers veel te druk met zijn werk voor koor en orkest, vaak wel honderd uur per week. En als hij even wil bijkomen? Dan dirigeert hij het Rijssens Mannenkoor. Door Vincent ter Beek Eigenlijk weet Pieter Jan Leusink ook wel dat hij helemaal geen tijd heeft voor het Rijssens Mannenkoor. Daarvoor heeft hij het immers veel te druk. Waarom hij er dan al niet lang mee is gestopt? Ontspanning, geeft hij aan, terwijl hij zijn sigaar opnieuw aansteekt. ‘Het Mannenkoor, dat is het avondje uit voor mij. Mijn vrouw Christine zegt altijd tegen mij: dat Mannenkoor, moet je niet loslaten, daar heb je zo'n plezier. En dat doe ik ook niet. Ik vind't hartstikke gaaf om met deze mannen te kunnen werken.' Dus rijdt Leusink iedere week trouw de 76 kilometer vanuit zijn woonplaats Elburg richting Rijssen voor zijn avondje uit in het Rijssense Parkgebouw. Ergens is het opmerkelijk: een man met nationale dirigeerfaam, die alle concertzalen van Nederland al van binnen zag, die de Matthäus Passion met speels gemak in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeert, en al jarenlang aan de Nederlandse top staat hier, in de kelder van het Parkgebouw. Staand voor zijn Rijssens Mannenkoor, achter de piano, met zijn bretels als opmerkelijk handelsmerk en een kistje sigaren in zijn broekzak. Met zijn ene hand de toetsen aanslaand, met de andere zwaaiend en dirigerend alsof het een lieve lust is. Soms meezingend, dan weer afklappend. Niet dwingend, maar wel fanatiek en expressief. Het Rijssens Mannenkoor, dat is onvervalst zangplezier in plaats van hogeschoolmuzikaliteit het houdt hem al sinds 1989 met plezier in Rijssen. ‘De vorige dirigent Alle Roodbergen was hier met een-vijfde van het koor goed bevriend. Bij mij is dat niet zo, ik sta niet met een aantal mensen van tevoren aan de bar te hangen. Toch krijg je het wel en wee van de 120 koorleden wel allemaal te horen. Dan lopen ze voor de repetitie even naar de piano toe om het een en ander te vertellen. Dat sociale aspect vind ik heel belangrijk, dat hoort erbij.' Zo¹n zestien jaar geleden was het, in 1989, dat Leusink reageerde op de in eerste instantie tijdelijke vacature. ‘In principe begon ik toen ook nog maar net', herinnert hij zich. ‘Voor mij was het iets heel groots, 120 man voor mijn neus, waarvan heel veel nestoren en overwegend met een reformatorische achtergrond. Niet echt makkelijk, vond ik.' Alle begin is moeilijk maar Pieter Jan Leusink was sinds dat moment niet meer weg te denken bij de Rijssense zangers. Veel veranderde met zijn komst. Het Mannenkoor zag kerken en theaters in dorpen en steden, in binnen- en buitenland en nam inmiddels zeven cd's op, die goed worden verkocht. ‘Een aantal mannen vatte het op als ‘professioneler worden', toen ik kwam en eiste dat van de 120 man er ook 120 aanwezig moeten zijn op repetities. Ik niet. Ik vind het een kwestie van respect en van ‘met je tijd mee gaan'. Ik noem het een voorwaarde dat als je ergens bij zit, je er ook alles voor moet doen om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken.' Dat Rijssen en Leusink wel op één lijn zaten, blijkt wel uit de reacties van het overgrote deel van het koor: daar wekte de opstelling helemaal geen wrevel, integendeel. Zij konden wel meegaan met de nieuwe fanatieke dirigent, die discipline vroeg en kreeg. Altijd wil hij de beste zijn, geeft hij aan. Zelfs op zijn ‘avondje uit' bij het Rijssens Mannenkoor. Nooit mist hij een concert, hij dirigeerde ooit door met een schouderblessure ‘tijd voor rust is er niet'. Last van lichamelijk ongemak als kriebelhoest of jeuk tijdens concerten heeft hij niet ‘komt door de concentratie'. Ondanks dat alles wil de dirigent zichzelf niet het etiketje ‘musicus' opplakken. ‘Ik voel mij veel meer een muzikant. Ik mag graag muziek maken voor het publiek en ik wil optreden voor een volle zaal. Als ik iets in de programmering kan stoppen waardoor ik even met de zaal kan stoeien, dan doe ik dat. Ik kan het namelijk voelen als de aandacht van de mensen verslapt. Dan is het de kunst om drie à vier touwtjes aan te halen.' Die wisselwerking, die interactie met het grote publiek, daar geniet Leusink van als muzikale puritein optreden lijkt hem dan ook niks, vandaar dat hij even makkelijk Händel opvoert als dat hij werkt met liederen of kerstrepertoire. ‘Vergelijk het met een vol stadion', zegt hij. ‘Ik wil niet het gevoel hebben dat ik op het derde achterafveld in het duister in de regen aan het spelen ben. Dat kun je nog steeds wel met gevoel doen, maar wat ik wil is voor een kolkend vol stadion spelen. Voor een volle zaal dirigeren haalt de adrenaline in mij boven. Ook al heb ik tweeduizend concertgebouwen gezien, nog altijd zit die spanning erin als ik die trap af daal. Dat is een ontzettend prettig gevoel.' De ambitie om dirigent te worden ontwikkelde zich geleidelijk bij Leusink, geboren en getogen in Elburg. Eigenlijk was muziek nooit zijn grootste droom, als jongeling. 'Tot mijn zestiende wilde ik tuinder worden. Een eigen tuindersbedrijf, dat leek mij wel wat. Zijn uiteindelijke keuze voor zijn studie had veel te maken met de liefde voor het orgel die hij had gevonden in de Christelijk Gereformeerde kerk in Elburg. ‘Ik kom uit een oer-gereformeerd gezin, en had te veel vragen. Zo gauw als ik die vragen stelde, was de reactie: als je het er niet mee eens bent, dan ga je maar. Bijvoorbeeld: waarom mag je bijvoorbeeld niet fietsen of niet de auto gebruiken op de zondag? Dat vond ik altijd heel normaal totdat ik een jaar of vijftien werd. Ik heb ervan geleerd dat het allemaal niet in die regeltjes zit. 'Toch geloof ik echt. Maar ik geloof dat het van binnenuit moet komen.' Thuis in de Bijbel is Leusink dus altijd gebleven: 'Alles wat ik uitvoer gaat er nou eenmaal over.' Wat Leusink greep, was het orgel in de kerk de muziek: nooit zou hem dat meer loslaten. Deze voorliefde nam hij dan ook mee naar het Stedelijk Conservatorium in Zwolle. Al snel leerde hij daar wel dat hij alleen de opleiding orgelmuziek niet genoeg was: dat trok geen volle zalen, sterker, er is geen belangstelling. 'Je wordt opgeleid tot orgeldocent. Ik heb wel een jaar of drie lang jaarlijks zo'n twintig orgelconcerten gedaan, maar je komt er dus achter dat je aan het studeren bent voor bijna geen publiek. Bovendien word je totaal niet voorbereid op concertpraktijk.' De opleiding 'uitvoerend musicus' plakte Leusink er daarom achteraan. In 1984 een jaar nadat hij afgestudeerd was zette de toen 26-jarige Leusink het Elburgse Stadsknapenkoor op, naar voorbeeld van het stadsjongenskoor dat hij in Oldenzaal had gezien. 'Wat ik er zo mooi aan vond, was dat jongens op Adidasschoentjes wel met lol bezig waren met moeilijke Latijnse muziek', geeft hij aan. Met het Stadsknapenkoor sinds 1995 het Holland Boys Choir kon Leusink zijn hart ophalen. In een relatief kort tijdsbestek moet hij van een ongevormde jongensstem een nachtegaaltje maken voordat hij de baard in de keel krijgt. Een proces van zorgvuldige selectie en training, maar voor meer jongens weggelegd dan je zou vermoeden. In feite is het net als toernooivoetbal: hoe jonger je begint, hoe beter of het is. Een jongenssopraan heeft immers maar een kort leven. Maar ik zeg altijd: gooi tien jongens in een roeibootje en er blijven er van de tien acht over. Het selecteert zichzelf. Leusink werkt in een hoog tempo toe naar uitvoeringen. Vertrouwen winnen is bij hen de crux, merkt hij op. Namen als Jan Vayne of Louis van Dijk, met wie we vaak werken, zegt de jongens niks. Wat telt is dat ze jou moeten leren kennen als dirigent. Als ze je eenmaal weten te vertrouwen, willen ze alles er voor doen. Dan kun je gaan werken aan klankvorming en aan de goede ademhalingstechnieken. Ook de onbevangenheid van het jongenskoor blijft hem inspireren. Als we nu in het Concertgebouw in Amsterdam op het podium zitten, kijken de jongens rond en zien ze de namen op de muur staan van alle bekende componisten, van Bach tot Händel. Dan vragen ze: waarom sta jij er niet bij, Pieter Jan? Eén grootheid onder de musici noemt Leusink in dit verband in het bijzonder: sir David Willcocks, een Engelse dirigent van wereldklasse, die furore maakte met het King's College Choir uit Cambridge. OIk heb hem vaak ontmoet tijdens masterclasses die ik volgde, maar een paar keer heb ik met Willcocks een concert samen gedaan, de Coronation Anthems van Händel. Willcocks is de enige die ik ooit heb gezien die de jongens direct in de vingers had. Direct vanaf het vliegveld ging hij voor de groep staan. "Zo, jongens", zei hij. Mijn achternaam is veel te moeilijk en ik draag een pet. Noem mij maar Dave Cap. Hij heeft met die knapen gewerkt alsof het zijn eigen jongens waren. Zevenentachtigjaar is hij nu, maar gaat nog steeds de wereld af. Zoiets wil ik later nou ook. Zoveel mensen ontmoet, zoveel muziek gespeeld, zoveel plannen voor de toekomst. En dan toch wekelijks naar Rijssen. De Twentse mentaliteit, de Twentse nuchterheid, die kan Leusink waarderen in het mannenkoor. ‘Op de Veluwe, waar ik vandaan kom, heb je een enorme drang om altijd iets hetzelfde te houden. Stel je toch eens voor dat je met iets nieuws komt! Ik stelde ooit in Elburg met een koortje voor om eens een buitenlandse reis te houden. Nou, was het antwoord, maar we zijn nog nooit in Delfzijl geweest. Leusink kan er zich nog druk over maken. Wat moet ik dan? Niet luisteren naar argumenten, dat is het. In Rijssen wordt alles heel constructief bekeken. Het mannenkoor is gewoon met zijn tijd meegegaan. Maar de grootste charme van het Rijssens Mannenkoor? Misschien ligt dat wel het meeste voor de hand: het zijn de mannen. "Begrijp me niet verkeerd, maar mijn aanpak is gericht op het mannelijk geslacht. Het zit hem in de randvoorwaarden. Bij mannen kan ik vaak recht voor zijn raap zeggen wat ik denk. Ik houd er nou eenmaal niet van om dingen omzichtig te moeten zeggen. "Kun je die hoge E nog eens blèren?" bijvoorbeeld. Van dik hout zaagt men planken. Bij dames komt zoiets toch vaak niet over ook al heb ik van tevoren duidelijk gezegd hoe het eraan toe gaat. Moet je je bijvoorbeeld voorstellen: als ik iets helemaal goed wil krijgen in een muziekstuk, zeg ik wel eens: dat kunnen jullie niet! De gemiddelde damesclub haalt dan de schouders op. De mannencultuur kijkt daar grosso modo niet zo snel doorheen. Die hebben meer verbeeldingskracht. Je ziet ze denken, terwijl ze hun mouwen opstropen: "Dat kunnen wij niet? Oh nee?" |