Reform. Dagblad 2007

Pieter Jan Leusink viert zijn 25-jarig jubileum als dirigent

"Ik ben meer muzikant dan musicus"
Toen Pieter Jan Leusink 25 jaar geleden begon met dirigeren, had nog bijna niemand van hem gehoord. Inmiddels kent men de Elburger over de hele wereld als artistiek leider van het Holland Boys Choir. Leusink: "Ik ben altijd bang het publiek teleur te stellen."

door Jaco van der Knijff

Leusink is net terug uit IJsland. Binnenkort hoopt hij daar met zijn Urker Mannen Ensemble een dvd op te nemen. "Na de recente dvd "Friesche Elfstedentocht" moet je weer iets nieuws verzinnen."
Het typeert de dirigent. Schijnbaar onstuitbaar is zijn musiceerdrift.
Achter hem ligt een drukke zomer met talrijke optredens met zijn Boys Choir en het mannenensemble. Voor hem ligt een najaar waarin hij onder andere in een maand tijd veertien keer The Messiah van Händel uitvoert. Voor maart volgende jaar staan binnen 22 dagen 21 uitvoeringen van Bachs Matthäus Passion gepland, acht keer met het jongenskoor, dertien keer met The Bach Choir of the Netherlands.

Hoe houdt iemand dat fysiek vol?
"Ik ben gelukkig gezegend met een goede gezondheid. Daarbij heb ik een goede conditie. Misschien komt dat omdat ik vroeger veel gevoetbald heb. Ik heb ook helemaal niet het gevoel dat ik het moet gaan doen. Ik laat het allemaal komen. Trouwens, als iets goed gaat, geeft dat een minimale belasting."

En de 21e keer?
De muziek is steeds weer nieuw voor me. Dat doet Bach voor mij. Je moet dankbaar zijn dat je zijn muziek mag uitvoeren. Dan betekent het geen enkele belasting. Ook de locatie speelt een grote rol. Ik zou de Matthäus echt geen 21 keer in het Concertgebouw willen uitvoeren. Ik vind dat deze muziek in een mooie oude kerk thuishoort."

Plezier
Leusink noemt zichzelf liever geen musicus. "Ik ben meer een muzikant. Een musicus is in mijn beleving altijd op zoek naar een professionele aanpak van zijn werk. Een muzikant doet het naar mijn gevoel meer met plezier. En hij richt zich op zijn publiek. Dat heb ik ook: ik ben altijd met de mensen bezig. Ik probeer ze erbij te betrekken. Als ik het gevoel heb dat de luisteraars indutten, probeer ik daar op in te spelen. Ik ben altijd bang ze teleur te stellen."
Voor een klein publiek spelen kan de dirigent maar moeilijk. "Als er bij een concert 50 man zit, terwijl er 500 in kunnen, heb ik iets niet goed gedaan. Vergelijk het met voetbal: je speelt toch veel liever in een vol stadion, dan op een achterafveldje."
Ondanks zijn energie, moet Leusink toch oppassen niet te veel hooi op zijn vork te nemen. Daarom is hij op zoek naar mensen die als repetitor een deel van zijn werk met het jongenskoor over kunnen nemen. "Dat vraagt onthechting. Het is allemaal erg sterk aan mijn persoon gebonden. De jongens zijn m¹n vriendjes geworden."
Ook het Rijssens Mannenkoor, dat hij al sinds 1989 heeft, moet hij laten schieten. "Dat is altijd een grote hobby geweest. Maar op een gegeven moment moet je ook je verstand gebruiken, het gaat niet eindeloos goed. Maar het is verschrikkelijk."

Concertorganist
Pas op zijn 16e rees bij Pieter Jan de gedachte dat hij wel de muziek in wilde. Hij studeerde orgel aan het Zwolse conservatorium. "Ik dacht toen nog dat ik een groot concertorganist zou worden. Ik heb ook wel wat concerten gegeven, maar dat stond me algauw tegen. Als je een concert moet geven voor een paar man, kun je beter thuis gaan zitten spelen."
Hij kreeg een fulltime baan als docent aan de muziekschool in Rijssen, gaf privé orgelles en dirigeerde vier koren. Totdat zijn vrouw, Christine Schreuder, zo¹n dertien jaar geleden tegen hem zei: "Pieter Jan, jij hebt niet in de gaten wat je allemaal kan. Je hebt goud in je vingers, daar moet je iets mee doen."
Het roer ging om. Het Stadsknapenkoor Elburg, dat hij al sinds 1984 dirigeerde, kreeg de naam Holland Boys Choir. Daar zette Leusink vervolgens al zijn kaarten op. En het werd een succes. Vooral de cd¹s met de opnamen van de cantates van Bach, waarvan er wereldwijd 5 miljoen verkocht werden, zorgden ervoor dat het Hollands Boys Choir én Leusink heden ten dage internationaal bekendheid genieten.

Door wie weet u zich muzikaal geïnspireerd?
"Ik heb veel geleerd van Sir David Willcocks, de Engelse dirigent die met het King¹s College Choir uit Cambridge heel bekend werd. Maar verder houd ik me niet zo bezig met wat anderen doen. Als ik een nieuw werk ga uitvoeren, zoals komend voorjaar het Requiem van Mozart of in 2010 dat van Duruflé, beluister ik wel hoe anderen het doen. Het is natuurlijk altijd goed om referenties te creëren. Maar uiteindelijk laat ik me niet voorschrijven hoe iets uitgevoerd moet worden."

Vrijdenker
Pieter Jan Leusink groeide op in een bevindelijk gereformeerd milieu. Als jongen bespeelde hij het orgel van de christelijke gereformeerde kerk in Elburg, waar zijn vader jarenlang ouderling was. Hoewel Pieter Jan in deze gemeente nog belijdenis deed, ging hij rond zijn 24e een andere weg. "Ik ben een vrijdenker. Let wel, dat is wat anders dan een humanist. Ik wil zelf kunnen nadenken. Als men mij regels voorschrijft zonder dat daarover gediscussieerd kan worden, word ik opstandig."

Korte tijd was hij lid en organist in de gereformeerde kerk in zijn woonplaats en ook nog even in de hervormde gemeente, maar ook daar voelde hij zich niet thuis.
Velen vragen zich af hoe uw kerkelijke ontwikkeling samen kan gaan met het geestelijk repertoire dat u met uw koren uitvoert.

"Ik word altijd boos als mensen daar vraagtekens bij zetten. Die geestelijke liederen vind ik prachtig. Ze moeten bij mij dan ook niet aankomen met de nieuwe berijming of het Liedboek. Met "Even als een moede hinde" heb ik niets, wel met "¹t Hijgend hert, der jacht ontkomen".

Als men zegt dat ik niet naar de kerk ga, zeg ik: Ik ben bijna iedere dag in de kerk. Alleen, ik luister niet naar een preek. Ik krijg in mijn muziek trouwens elke dag een preek. Ik ben hele dagen met de Bijbel bezig. Mijn leven ís de Bijbel. Ik heb afstand genomen van een bepaalde manier van geloven, maar niet van de Bijbel. Als ik in IJsland de prachtige natuur zie, hoe het landschap daar ligt neergesmeten, dan denk: Als iemand durft te twijfelen aan het scheppingsverhaal, moet hij hier maar eens gaan kijken."

U gelooft nog steeds in God?
"Jij noemt het God. Ik geloof in een hogere macht, ja, in God, ja. Ik geloof dat er meer is tussen hemel en aarde. Ik geloof dat het leven bij de dood niet ophoudt. Ik geloof dat er heel veel mensen naar de hemel gaan, van allerlei pluimage. Ik geloof ook in het geloof. Maar ik geloof niet in een kleine schare gelovigen die precies weten hoe het zit en die anderen de maat nemen."
Leusink benadrukt dat hij absoluut geen behoefte heeft af te geven op het milieu waarin hij opgroeide. "Als mensen menen dat God van hen vraagt dat ze op een bepaalde manier moeten leven, dan respecteer ik dat helemaal. Maar dat respect moet dan van twee kanten komen. En dat mis ik vaak. Men vormt zich een oordeel over mij, zonder dat men aan mij vraagt hoe ik de dingen zie en beleef."
Onlangs was Leusinks vader ernstig ziek. Zo ziek, dat het leek of hij zou gaan sterven. "Ik werd erbij geroepen om afscheid te nemen. Ik had het lied "Houd mij vast" van Martin Mans bij me. Daarin komen steeds dezelfde regels voor: "Houd mij vast, houd mij vast, spreek mij aan als Uw kind." Toen ik het lied aan m¹n vader had voorgelezen, zei ik: "Dat geloof ik nu." "Meen je dat nou?" vroeg m¹n vader. "Wil je dat dan volgende week voorlezen op het graf?" Mijn vader knapte echter op onverklaarbare wijze toch weer op. Maar sindsdien is het anders. Kijk, m¹n vader wist niet hoe ik dacht, en andersom. Blijkbaar was een sterfbed nodig om te kunnen vertellen wat ik altijd al had willen vertellen."

Kritiek
Niet alleen zijn kerkelijke ontwikkeling roept vragen op, ook over de muzikale keuzes die Leusink maakt zijn sommigen kritisch.
Wat doet kritiek met u?
"Daar heb ik maling aan. Ik ben zelf de grootste criticaster van mezelf. Ik ga altijd voor het beste. Naar positieve kritiek wil ik overigens wel luisteren. Maar ik heb geen boodschap aan mensen, vaak musici die zelf niets hebben bereikt, die komen luisteren en dan een zuur verhaal schrijven over het Boys Choir en me bewust onderuithalen. Dan denk ik: Joh, je hebt wel met kinderen te maken. En dan in de Nederlandse situatie. We zijn geen King¹s College Choir, maar dat pretenderen we ook niet. We proberen wel met de middelen die we hebben het maximale eruit te halen."
Sommigen begrijpen niet dat u samenwerkt met populaire mensen als Martin Mans en Jan Vayne.
"Ik begrijp niet waarom iemand als Martin Mans omstreden is. Moet je eens luisteren naar de orgelpartij in de cantate "Ein feste Burg" van Bach. Dat is technisch heel knap. En straks speelt Martin mee bij het Requiem van Fauré, wat nogal wat vraagt van de organist. Hij is gewoon een goede organist, die technisch heel vaardig is. Alleen, hij luistert naar zijn publiek. Daarom trekt hij volle kerken. Je moet toch ook zorgen dat er publiek komt? Wat Martin doet, is uitzonderlijk. Als je dat plat noemt, luister je niet goed."
Tijdens de zomerconcerten op de woensdagmorgen in Elburg zou u aan volksvermaak doen.
"Luister, ik heb dat dit jaar al voor de 22e keer gedaan, en nog steeds zit de kerk bomvol. Het programma bestaat inderdaad uit korte populaire stukjes, maar dat doen we bewust, omdat we laagdrempelig willen zijn en een gemoedelijke sfeer willen creëren. Als je langere stukken gaat programmeren of Martin gaat een preludium en fuga van Bach spelen, dan worden de mensen onrustig. Als mensen dat volksvermaak noemen, moeten ze dat doen, maar daarvan raak ik niet onder de indruk. Overigens creëren deze laagdrempelige concerten veel nieuw publiek voor de uitvoeringen van bijvoorbeeld The Messiah. Dus wat dat betreft voed ik mijn publiek wel op."